Tijdens het ontbijt in een weekend word ik overvallen door de plompverloren vraag van onze zoon: ‘Willen jullie een vaste oppasdag?’ en ik antwoord zonder na te denken als door een wesp gestoken ‘Ik niet!’.
Dit was niet een introductie op een vreugdevolle mededeling, maar het begin van een gesprek over mogelijke toekomstplannen van hen en onze rol daarin.Ik voelde een enorme benauwdheid bij het idee om in de toekomst (nogmaals: nog geen bevruchting aan de horizon) naast mijn werk een dag in de week ‘vast’ te zitten. Gelukkig voor mijn kinderen kan mijn partner niet wachten, dus die oppasdag komt wel goed.
Wat mij verbaasde was mijn eigen snelle reactie, vanuit een diepgevoeld gevoel. Ik hou van kinderen, vind eigenlijk mensen onder de 20 het leukst, dus waarom dan deze reactie?
Tot ik deze vakantie doodmoe in de zon in een campingstoeltje in de tsjechische zon zat bij te komen. De afgelopen weken, nee maanden heb ik me zoveel zorgen gemaakt over en gezorgd vóór dierbaren om mij heen, naast mijn werk, want dat mocht er natuurlijk niet onder lijden. En dát is wat ik voel.
De rek is er even helemaal uit. En terwijl ik daar zo zit slap te zijn in dat stoeltje, analyseer ik mijn gevoel.
In de vakantie las ik het boek ‘de omwenteling of de eeuw van de vrouw. Een prachtig boek dat beschrijft hoe onze oma’s en moeders de afgelopen eeuw hun positie in de maatschappij hebben verworven. En vooral hoeveel tegenwerking zij daarbij hebben ervaren.
In dat licht bezien krijgt mijn moeheid een andere dimensie.
Mijn moeder hoort bij de groep vrouwen, die haar hele zorgzame leven welgeteld 3 maanden thuis heeft gezeten. Mijn moeder was een werkende moeder en daar heb ik mij als dochter op jonge leeftijd regelmatig voor moeten verdedigen. Ik was en ben trots op wat zij bereikt heeft in haar werk. Ik ben trots op wat mijn (ook) fulltime werkende vader deed in het huishouden in een tijd dat dat niet gebruikelijk was. Trots dat zij samen in mijn jeugd blijkbaar een taakverdeling gevonden hadden, die hen beiden ruimte gaf om zich buitenshuis te ontwikkelen.
Nu, zo moe op mijn stoeltje realiseer ik me ook, dat ik daarmee een belangrijke waarde in mijn Brinta kreeg opgelepeld. Het was een credo dat bij ons thuis op een wandtegel had kunnen staan:
‘Van hard werken is nog nooit iemand doodgegaan’
En ja, daar zit ie. Als hard werken de norm is, wat doe ik dan hier nu zo doodmoe in de zon? En ik herinner me weer al die vakanties waarvan mijn moeder de eerste helft ziek op bed doorbracht. Niet doodgegaan, wel over een grens gegaan. Dat was bij ons thuis hoe het hoorde. Zo hard werken, dat je in je vakantie lang bij moet komen, voordat je kunt ontspannen.
Het is door de vrouwen van toen dat wij nu staan waar we staan. En ik ben die generatie dankbaar voor alles wat wij als maatschappij nu als vanzelfsprekend aannemen.
Tegelijkertijd realiseer ik me ook ten diepste, dat je van hard werken echt wèl dood kunt gaan. Dat werken en zorgen naast elkaar ook (te) veel van je kan vragen. Dat het niet normaal is om in je vakantie eerst 10 dagen nodig te hebben om tot ontspanning te komen. En dat ik dat na 43 jaar betaald werk naast de zorg voor kinderen en ouders, anders wil doen.
Ik blijf hard werken, en wil daarnaast ook hard genieten. Ik ga vanaf nu meer ontspannen ín mijn werk en vaker kiezen voor zorg voor mezelf. Tenslotte kun je pas goed voor een ander zorgen als je eerst goed voor jezelf bent.
Ik ga naast mijn werk vast toe-rusten naar dat eerste kleinkind (op termijn) ….